John Jongejan

  • John Jongejan: Valentijnsdag

    Joyce Huls February 18, 2020 218 keer bekeken 0 comments

    John Jongejan werkt als ervaringsdeskundige bij een FACT team van GGZ-Breburg en volgt de opleiding tot Sociaal Pedagogisch Hulpverlener. Wat hem in zijn werk beweegt, is dat iedereen ervaringskennis kan gebruiken voor zijn eigen proces. Klik hier voor meer informatie over John.

    Op 14 februari 1993 werd ik in Amsterdam diep in de nacht met een ambulance weggebracht naar een crisisafdeling. Ik kreeg een bed en er was een verpleegkundige die me slaaptabletten gaf. Maar zijn aanwezigheid maakte me al rustig. Ik nam de slaaptabletten in. Ik weet nog dat ik zei: “Eindelijk rust.” Ik viel in slaap en werd wakker op een hard bed in een isoleer van het psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort-Zuid. Na verloop van tijd kwamen er verpleegkundigen en de psychiater binnen. Ze vroegen naar mijn naam en adres. Ik antwoordde helder maar gaf aan uit deze cel te willen. Hier was men het niet mee eens en men overmande mij en gaf me een spuit in mijn bil. Ik was zo eenzaam, maar zij gingen weer weg. Daar lag ik weer, alleen met niets dan een scheurhemd aan. Het voelde koud en kil in mij, als een woestijn in vrieskou.

    Het was niet toevallig dat ik op Valentijnsdag was opgenomen, immers liefdesverdriet had bij mij de emmer met ellende doen overlopen. De jaren ervoor waren moeizaam en slopend geweest, heen en weer geslingerd tussen Zeeland en de grote stad Amsterdam. Het was vechten tot ik niet meer kon. In Zeeland en ook in Amsterdam kon ik niet die veilige warme pek vinden die ik zo nodig had. Ik had op het laatst geen vaste woon of verblijfplaats, geen geld of baan en ook geen zelfvertrouwen meer. Iedereen stuurde me weg. Ze wisten niet hoe met mij om te gaan. Het was ook een wereld van verschil met hoe ik eerst was: altijd vrolijk, sociaal en vriendelijk en nu ineens teruggetrokken en stil.

    In de kliniek was ik mezelf echt kwijt. Alles deed pijn en alles leek uitzichtloos, daar in die separeer cel. Dit voelde niet als hulp en ik werd teruggeworpen op mezelf. En er kwam een groter probleem bij, door het verblijf in die cel: ik kreeg het idee dat ik afwijkend was en minderwaardig. Deze manier van mij behandelen moest toch een reden hebben? Was ik een crimineel of verkrachter? Ik prakkiseerde daarover tijdens heldere momenten.

    Achteraf denk ik dat de opname veel korter had kunnen duren als ze echt met mij in gesprek waren gegaan. De psychiater die ik daar destijds over aansprak wilde dat echter niet. Hij gaf aan mij te ziek te vinden en het had toch geen zin. Later ben ik zelf wel met mensen die gesepareerd waren in gesprek gegaan. We delen veel gemeenschappelijke ervaringen. Ze ervoeren de tijd in de isoleercel als heel lang. Ook gingen mensen in regressie. Het eigen ik verdween door de eenzame opsluiting.

    Jammer genoeg zijn er nog instellingen die separeercellen gebruiken. Wellicht biedt de zelfbindingsverklaring in de nieuwe Wet Verplichte GGZ mogelijkheden. Iemand kan dan aangeven dat hij bij opname niet gesepareerd wil worden, maar je kunt er ook inzetten wat je wel wilt in crisis. Zo kun je bijvoorbeeld vastleggen dat je meer gesprekken wilt met een psycholoog, tijdens een crisis. De cliënt heeft zo meer macht en regie over zijn eigen unieke situatie!

  • John Jongejan: Onze (eigen) wijsheid: een stap naar verandering

    Joyce Huls December 11, 2019 142 keer bekeken 0 comments

    John Jongejan werkt als ervaringsdeskundige bij een FACT team van GGZ-Breburg en volgt de opleiding tot Sociaal Pedagogisch Hulpverlener. Wat hem in zijn werk beweegt, is dat iedereen ervaringskennis kan gebruiken voor zijn eigen proces. Klik hier voor meer informatie over John.

    De verhalen van cliënten en ervaringsdeskundigen en hun (eigen) wijsheid worden steeds meer gebruikt bij de invoering van innovaties in de zorg. Maar wat doen hulpverleners nu met onze wijsheid? Voor hen lijkt het herstel ondersteunend werken soms een maniertje en onbewust stigmatiseren ze nog steeds. Het lijkt alsof er twee gezichten zijn. Als het uitkomt zijn de hulpverleners herstel ondersteunend, maar niet als het te dichtbij komt.

    Tijdens een opname kon ik het goed vinden met een oude opstandige man. Omdat ik manisch was kon ik heel aanwezig zijn op de afdeling en was ik uitdagend. Ik deed dit niet opzettelijk, maar het maakte dat de verpleging mij vaak corrigeerde en grenzen aangaf. De oude man had een hekel aan de verpleging. Hij maakte onder meer de radio stuk en verwijderde zonder reden gordijnen in de woonkamer. Omdat ik door mijn drukke gedrag zo vaak in beeld was bij de verpleging kreeg ik van alles de schuld. Elke keer was er iets stuk of verdwenen, maar hoe dat kwam wist ik niet. En ik kon niet bewijzen dat ik het niet had gedaan. De bejegening van de verpleging naar mij werd grimmiger. Ik werd er verdrietig van en dacht “Wordt het ooit beter?” Tot op een dag de oude man op heterdaad werd betrapt. Een van de verpleegkundigen excuseerde zich naderhand bij mij om het feit dat ze mij zo achter de vodden hadden gezeten. Ik was opgelucht want deze situatie had me uit balans gebracht. Pas later begreep ik dat mijn manie (lees diagnose) voor hen de bevestiging was dat ik de schuldige was. Ik was ziek en had eigenlijk begrip en aandacht nodig maar het tegendeel gebeurde. Ik werd onheus bejegend vanwege mijn aandoening. En dat gebeurde notabene op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis.

    Ondanks dat bovenstaande lang geleden gebeurd is, krijg ik nog vaak van cliënten terug dat ongelijkwaardigheid en bejegening een punt van aandacht blijven. Er gaat veel goed maar het herstel van de cliënt moet meer centraal staan.

    De vraag is dan ook: Gebruik je als hulpverlener herstelondersteunende handvatten hierbij? Ga je op zoek naar andere en betere communicatie? Stel je de diagnose niet voorop? Cliënten kunnen goed meepraten over hoe je om kan gaan met kwetsbaarheid. Wij kunnen prima overbrengen hoe de samenwerking tussen cliënt en hulpverlener zou moeten zijn. Onze eigen wijsheid laten horen kan zo een stap naar verandering zijn. Als er steeds weer goed geluisterd wordt naar hoe wij de behandeling (hebben) ervaren, dan kan de hulpverlening ons beter ondersteunen.

  • John Jongejan: De gelukkigste tijd

    Joyce Huls October 15, 2019 152 keer bekeken 0 comments

    John Jongejan werkt als ervaringsdeskundige bij een FACT team van GGZ-Breburg en volgt de opleiding tot Sociaal Pedagogisch Hulpverlener. Wat hem in zijn werk beweegt, is dat iedereen ervaringskennis kan gebruiken voor zijn eigen proces. Klik hier voor meer informatie over John.

    In de periode dat ik thuis zat met een uitkering, zei ik tegen mijn begeleider van de ggz dat ik voorlopig geen vrijwilligersbaantje of cursus meer wilde volgen. Het mislukte elke keer en dat gaf me alleen maar stress! Naast de nare verwarrende gedachten en gevoelens die ik sowieso had, werd ik dan juist  extra geconfronteerd met mijn kwetsbaarheid. We spraken af dat ik een jaar lang niets erbij zou doen en dat we dan zouden evalueren hoe dat ging. Ik was content en voelde me gesteund.

    Ik was 28 jaar en besloot er te zijn voor buren, vrienden, familie en natuurlijk voor mijzelf. Ik had de gelukkigste tijd van mijn leven! Ik voelde een vrijheid om mijn leven te leiden zoals ik dat wou. Zonder druk, verplichtingen  of stress van buitenaf. Het voelde goed en alles leek compleet.

    Ik praatte uren met vrienden of met mijn familie aan de telefoon. Hoewel ik geen drukke baan of gezin had, had ik genoeg te vertellen en kon ik een goed luisterend oor zijn voor die ander. Ik had niet veel geld maar kwam niets tekort en voelde me verbonden met anderen. Er kwam ook een ritme en structuur in mijn leven. Zo deed ik overdag boodschappen en ging ik even langs bij de buurvrouw. In de middag kwam er dan een vriend koffie drinken en in de avond kookte ik om beurten met mijn eetmaatje een gezonde Hollandse maaltijd.  In de avond was het tv kijken of ging ik toch nog even langs die andere maten om even bij te kletsen. In het weekend ging ik stappen.

    Natuurlijk baalde ik weleens over mijn weinige geld en als ik ht even niet meer wist hoe ik verder moest. Zeker als ik overmand werd door mijn aandoening. Maar er  was in mijn leven rust en dat was goed voor mijn herstel. En ik had van alles genoeg.  Ik kreeg van de buurvrouw op zaterdag een worstenbroodje of een onsje gesneden kaas. Mijn zus nam spijkerbroeken voor mij mee die mijn zwager te klein waren geworden. De voorzienigheid hielp mij doordat anderen het beste met mij voorhadden, waardoor ik onderdeel bleef van de maatschappij.

    Als ik de behoefte had iets te kopen, dan ging ik naar een tweedehandswinkel. Het belangrijkste daar was eigenlijk dat er een goede sfeer was en ik daar sociale contacten opdeed. Ik voelde me gezien als mens ondanks dat ik een kwetsbaarheid had. Het gewoon kunnen praten over zaken die voor iedereen belangrijk zijn. Me verbonden voelen. Dat voelde goed.

    De laatste tien jaar ben ik weer gaan participeren met als mijlpaal: mijn hbo-diploma Social Work. Het maakte dat ik meer in de stroom van de maatschappij meega. Ik heb nu meer geld om boodschappen te doen en ik kan het me permitteren om een nieuwe spijkerbroek te kopen. Ben ik nu gelukkiger dan toen ik 28 jaar oud was? Ik weet het niet…

    Het is noodzakelijk dat er ruimte is voor rust en beschouwing om verder te komen in je herstel. Ook het ontspannen bezig zijn met activiteiten zonder druk is belangrijk. Het mogen oefenen met je eigen agenda en tijdsplanning in een periode zonder stress is goed voor je herstel. Het is dan ook jammer dat de ontwikkeling van de participatiesamenleving samenvalt met bezuinigingen op uitkeringen en voorzieningen. Ik gun vooral (jong-) volwassen mensen een periode van opbouwen van je identiteit. Zeker het ontdekken waar nu echt je talenten en kracht zit. Het meemaken van gelukkige tijden is goed voor je basis. Zo kun je sterker worden!

  • John Jongejan: Pijn aandacht geven maakt sterker!

    Joyce Huls July 03, 2019 169 keer bekeken 0 comments

    Wanneer je een aandoening hebt, is niets meer zeker. Je gaat dan voorbij je grenzen bij alles wat je voelt, denkt of meemaakt en dat heeft een grote impact op je leven, aldus Wilma Boevink. Tegenwoordig wordt gesteld dat iemand een keuze heeft over hoe met de aandoening om te gaan. Lijden en pijn worden afgedaan als symptomen, die goed te behandelen zijn met medicatie of andere therapie.

    Zoals iemand een zwakke rug kan hebben, zo kan een ander vreemde gedachten ervaren. Dat is bijzonder want dat doet pijn, heel veel pijn. Wanneer iemand langdurig veel pijn lijdt, kan hij vreemd gedrag vertonen. Bij psychische aandoeningen kan dit de omgeving flink laten schrikken.

    De eerste reactie van de omgeving bij iemand die bijvoorbeeld een psychose heeft,  is afstand houden, apart zetten en wellicht afzonderen.

    We kunnen echter vertellen over onze pijn door met anderen die dit ook meemaken te delen wat helpend en niet helpend is. Zoals de grootste pijn in onze donkerste momenten. Het is natuurlijk hip van mij om te zeggen dat ik de psychose heb overwonnen en nu weer werk heb als ervaringsdeskundige. Maar de gevoeligheid voor psychose neem ik heel mijn leven mee. Niets is zeker, want ook ik ben over die grenzen heen gegaan. Het leven met de pijn zoals ik die op slechte dagen doormaak, houdt me soms in zijn greep.

    Pijn kan je klein houden. Je mening wordt dan niet gehoord. Je hebt zinnige, wezenlijke dingen te zeggen over je eigen leven. Jammer genoeg gaat het  in gesprekken met sommige hulpverleners nog vaak over de buitenkant. Zoals in het  gesprek met de psychiater over de bijwerkingen van een medicijn. Niet alle psychiaters hebben mij gevraagd: Heb je pijn en hoe ziet die er voor je uit? Is het nog dragelijk en welke manieren heb je geleerd om met de pijn om te gaan? Hoe kan ik je helpen?

    Ik herinner mij als kind al pijn in mijn buik en vreemde volwassen gedachten. Ik neem aan dat ik die de rest van mijn leven zal blijven houden. De ellende die er in de loop der jaren bijgekomen is, maakt het niet gemakkelijker. Een winstpunt is dat ik nu soms weet waar de pijn vandaan komt en dat wist ik vroeger niet. Dat maakt me sterker.

    Ik heb in de loop van mijn leven een paar vrienden leren kennen met wie ik mijn pijn kan delen. Soms is dat bloedserieus. En soms is het galgenhumor en cynisme waar we elkaar op betrappen. Zo steunen en helpen we elkaar. Pijn te kunnen delen is fijn en waardevol. Ik voel me dan niet zo alleen.

    In mijn werk, waarin mensen openhartig kunnen zijn, heb ik ook geleerd dat delen en praten helpend kan zijn. Al haalt het geen boosheid of verdriet over vroeger en nu weg. Juist boosheid of verdriet is een krachtig wapen om te ontladen van de pijn die je moet dragen. Loop er niet omheen als je denkt dat je altijd maar positief moet gedragen. Geef je eigen pijn de aandacht die het verdient, je leven lang, dat maakt je sterker.

  • John Jongejan: Ik ben een overlevende!

    ProfielfotoDorothé van Slooten May 08, 2019 177 keer bekeken 0 comments

    John Jongejan werkt als ervaringsdeskundige bij een FACT team van GGZ-Breburg en volgt de opleiding tot Sociaal Pedagogisch Hulpverlener. Wat hem in zijn werk beweegt, is dat iedereen ervaringskennis kan gebruiken voor zijn eigen proces. Klik  hier voor meer informatie over John.

    In de maand mei word ik altijd geconfronteerd met Amsterdam, de stad waar ik mijn verstand verloor. Zo is er de herdenking op de Dam en het bevrijdingsconcert op de Amstel. In Amsterdam wandelde ik uren door de stad. In het begin overdag, later meer in de nacht. Ik kan het die stad of het leven niet verwijten dat het mis is gegaan met mij. Eigenlijk kon ik het leven niet goed aan en moet ik eigenlijk blij zijn dat ik in de kliniek terechtkwam. Dat is dubbel, want ik voel me een slachtoffer. Tegelijkertijd ben ik gered, doordat ik als in een snelkookpan leerde hoe het leven is. Ik moest overleven in die hel en hemel die de kliniek was. Ik zie mezelf dan ook als een overlevende van de psychiatrie.

    Laatst liep ik door Breda en zag tot drie keer toe mensen die in de war waren en agressief overkwamen, doordat ze vreemde dingen deden. De mensen liepen er met ontwijkende blikken met een boogje omheen. Ik weet nu uit eigen ervaring dat agressie ook gewoon angst kan zijn, als iemand zich bijvoorbeeld diep van binnen rot en vervelend voelt.  Zeker als iedereen met een boogje om iemand heen loopt. Ik herkende het zo goed vanuit de tijd dat het mij ook slecht verging. Mijn familie waarschuwde me dat ik een normaal leven moest gaan leiden, met gewoon werk overdag, ritme en regelmaat. Maar ik had zo veel onrust en onzekerheid dat ik geen goede keuzes meer kon maken en alles alleen maar slechter werd. De beslissingen die ik maakte, zoals ‘s nachts werken en niet goed voor mezelf zorgen, eisten zijn tol. Ik kreeg mijn eerste psychose en werd opgenomen.

    Ik was ziek en maakte vreemde keuzes. Het was ongepast vreemd gedrag zoals schilderijlijsten van de muren halen of ooit verloren dingen in de kast van een andere patiënt zoeken. Ik was ook direct en erg emotioneel. De sancties waren streng en niemand legde mij uit wat er met mij aan de hand was. Maar ik overleefde deze periode. En ik weet nu dat een psychose niet het einde van een leven in de maatschappij hoeft te zijn. Ik ben een overlevende!

    Als ik dan kijk naar die mensen op straat gun ik ze ook een dak boven hun hoofd en fatsoenlijk eten en drinken. Ik zou willen dat mensen er niet met een boog om heen lopen. Maar ook hoop ik dat deze mensen door begeleiding en ondersteuning weer een nieuwe start kunnen maken. Zodat zij ook op een punt komen dat ze kunnen zeggen: “Ik ben een overlevende!”

  • John Jongejan: Wordt het nog lente?

    Joyce Huls March 19, 2019 268 keer bekeken 0 comments

    In gesprekken komt vaak naar voren, dat veel mensen na een psychose veel minder aankunnen dan vroeger. Zo deelde ik ervaringen met een cliënt die aangaf dat ze vroeger een drukke baan had maar nu niet eens meer een paar uur in de week kon werken. Ook vertelde ze dat zij niet meer kon autorijden vanwege alle prikkels, zowel van buiten als van binnen. Dat raakte iets bij mij, want ik herkende het zo goed.

    Ik vertelde dat ik vroeger barkeeper in een druk café was, ik stond er niet bij stil hoe hard ik werkte, want alles ging toch vanzelf. Later, na mijn tweede psychose, kon ik zelfs geen biertje meer tappen vanwege mijn trillende handen. Ik vond het verschrikkelijk als mensen dit in de gaten kregen. De druk werd dan zo groot dat ik geen barkeeper meer kon zijn en dus maar glazen ging halen. Dat deed ik graag, al had ik daar ook stress bij, zeker wanneer het druk was en alles snel moest.

    De cliënt en ik deelden gedachten over onze ervaring dat het leven moeilijker lijkt nadat je een psychose hebt gehad. Voor mij was het alsof ik oude patronen in mijn hoofd was kwijtgeraakt en ik alles opnieuw aan moest leren. Vandaar misschien ook wel dat het elke dag toch weer de vraag is hoe groot mijn draaglast en draagkracht is. Toen het gesprek was afgelopen voelde ik me raar. Ik maakte nog een kort praatje met een collega, wat eigenlijk te veel was, en ging snel verder naar de bus om naar een volgende cliënt te gaan. Ik wilde de cliënt bellen dat ik niet kon komen, omdat ik me niet goed voelde.  Maar dit kon ik toch niet maken, dus probeerde ik me te vermannen. Maar alles kwam op me af. Ik voelde alsof er in heel mijn wezen een wond zat, waar alles door heen ging. Wat baalde ik van deze toestand! Ik kon ook niet meer bellen, want ik was overstuur. Ik hoopte dat het snel zou zakken, ik haalde me inmiddels van alles in mijn hoofd. Boosheid, verdriet, schaamte, angst, kwaadheid, alles liep door elkaar in mijn hoofd en lijf. Ik probeerde mezelf af te sluiten voor alle prikkels.

    Daar liep ik dan met paniekgevoelens over straat naar de bushalte. Ik was geraakt en allerlei gevoelens en herinneringen aan nu en vroeger kwamen naar boven. Waar was het mis gegaan vandaag en wie kon me helpen? Ik had het besef en gevoel dat ik er weer alleen voorstond. De bus kwam eerder dan verwacht en de chaos werd minder. Op het station was het allemaal beter. Ik was blij, ik had het weer gered! Ik was wel somber, want wat als het een keer echt ontspoort? Loopt het dan goed af? Of verlies ik weer alles en  kost het me dan weer jaren om enigszins op niveau  te komen?

    Bij de volgende cliënt is het gesprek ook serieus en de man is blij dat ik er ben. We delen ervaringen en ik bied hem een luisterend oor. Hij zegt dat hij nu weer het weekend aankan. Ik ben ook blij en opgelucht dat ik grip op mezelf  kon houden, iets voor hem kon betekenen. Ik krijg een goed gevoel. Ik ben sterker dan ik dacht! Ik pak de volgende bus naar huis en zie de regen tegen de ramen slaan. Wordt het nog lente?

  • John Jongejan: Waan(zinnige) winterschoenen

    ProfielfotoDorothé van Slooten February 04, 2019 248 keer bekeken 0 comments

    John Jongejan werkt als ervaringsdeskundige bij een FACT team van GGZ-Breburg en volgt de opleiding tot Sociaal Pedagogisch Hulpverlener. Wat hem in zijn werk beweegt, is dat iedereen ervaringskennis kan gebruiken voor zijn eigen proces. Klik hier voor meer informatie over John.

    Ik klopte aan bij de deur. Het sneeuwde op het Leidseplein in Amsterdam. Ik hoopte dat hij me binnen zou laten want ik had al heel de ochtend rondgelopen door de kou en niemand die opendeed. De vriend vloekte toen ik te kennen gaf geld nodig te hebben. “Alweer? Nou vooruit…”, was het antwoord. We liepen samen naar de geldautomaat en hij gaf me vijfentwintig gulden. Ik bedankte hem. Hij zei : “Nou voorlopig niet meer langskomen, hoor!” Dit gaf me een vervelend gevoel. We zwaaiden naar elkaar. In de winkelstraat ging ik een goedkope schoenenzaak binnen. Mijn schoenen waren kapot en het deed zo’n pijn in de kou. Toch was alles nog te duur en ik had maar vijfentwintig gulden op zak. Ik liep helemaal achterin de zaak, op een bak met witblauwe bootschoenen en haalde er maat 44 uit. Bij de kassa vroeg ik of ik mijn oude schoenen daar mocht laten, ik zou dan mijn nieuwe gelijk aan doen. Ik had nog geld over voor een bak koffie en wat kroketten uit de muur. Ik had weinig tot geen nuchter besef van de werkelijkheid meer.

    Het was de dag dat ik nog meer ging dolen en zwerven door de stad. Toen ik echt psychotisch in een politiecel belandde, kwam er een psychiater praten, maar ik deed me beter voor dan ik was. Een dag later lag ik in de psychiatrische kliniek. Ineens werd ik wakker in de isoleercel. Naakt en zonder schoenen. Na verloop van tijd was ik aanspreekbaar en mocht ik schoenen uitzoeken in een kledingdepot. Ik koos een paar lage, nette, zwarte leren herenschoenen. Ze waren iets te ruim maar ik was er zo blij mee! Die dag ging het goed met mij. Ik had het idee dat ik er door de nieuwe schoenen weer bij hoorde. Ik voelde me minder verdrietig, nu ik er netjes uit zag.

    Later, na nog meer in de isoleer te zijn verbleven, kreeg ik rode Nike basketbalschoenen en een rode spijkerbroek . Deze pasten perfect en ik was er groots mee. Toen het beter ging, mocht ik met mijn moeder en zus kleren gaan kopen in de stad. Ik kocht een rode jas, wat T-shirts en een zwarte baseballpet. Het was toen al bijna zomer. Ik wilde de afgelopen tijd vergeten, dus vandaar deze “rode” metamorfose.

    Ik verhuisde in die tijd naar de gesloten afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis in Zeeland. Ze vonden me daar heel hip en modern. Het was de buitenkant want ik voelde me vaak zo rot. Kleding en schoenen waren belangrijk voor mij geworden, omdat het de veiligheid bood dat je het niet aan mij kon zien dat ik in de war was geweest. Later begreep ik dat dit toch alleen maar de buitenkant was. Ik had de jaren erna nog veel strijd, waarbij de staat van mijn schoenen mijn gemoedstoestand verraadde. Als ze afgesleten en uitgelopen waren had ik een onrustige tijd. Waren ze goed verzorgd en nog gaaf, dan ging het beter met mij.

    Nu, wanneer mijn schoenen aan vervanging toe zijn, raak ik altijd gestrest. Het is als een waarschuwingsteken dat ik op mijn tellen moet passen. Ik ga dan gelijk naar de stad en koop meestal twee paar tegelijk, omdat ik me dan weer goed voel en het gevaar weer is geweken. Het gevaar doet me denken aan die waanzinnige winterschoenen en de moeilijke situatie waarin ik verkeerde. Niet dat mijn kapotte schoenen mij uit balans hebben gebracht of dat die bootschoenen me in crisis deden belanden, maar het herinnert mij eraan dat ik alert blijf. Het is een waarschuwing gebleken, dat ik toch met beide voeten op de grond blijf.

    Het besef dat ik met mijzelf en de wereld om me heen in verbinding blijf, daar helpen gewone zaken enorm mee. De juiste schoenen geven mij dan ook een veilig en goed gevoel.

  • John Jongejan: Tjakkaa!!!!

    Joyce Huls November 22, 2018 332 keer bekeken 0 comments

    John is werkzaam als ervaringsdeskundige bij de GGZ in Breda en lid van het FACT-team van GGz-Breburg.

    Tjakkaa, doe er op mijn paspoort maar jaren bij…

    Ratelband wil er jaren af op zijn paspoort, maar bij mij moeten er jaren bij. Ik ben namelijk slechter af. Ik rook, eet te vet en te zoet, heb weinig beweging en ik gebruik al jaren medicatie. Dat laatste klinkt dubbel, want medicatie is toch om beter van te worden? Helaas werkt dat niet altijd zo. Zeker niet in het geval van medicatie voor mensen met een psychotische aandoening. Juist door het gebruik van antipsychotica kun je meer ziektes krijgen.

    Nee, niet schrikken als je net begonnen bent met medicatie of wanneer je al lange tijd stabiel bent op je onderhoudsdosis! Op pakjes sigaretten staat roken is dodelijk, maar ook het milieu om ons heen bevat fijne stofdeeltjes van het verkeer. Er is nog onbekend waarom de ene wel dik wordt van medicatie en de ander niet of waarom bepaalde medicatie het beter doet bij de één dan bij de ander. Maar hoe dan ook is duidelijk: medicatie heeft bijwerkingen.

    Misschien is de grootste bijwerking wel stigma en zelfstigma, want het simpele feit dat je medicatie gebruikt kan iets doen met je zelfbeeld. Dit kan dan maken dat je denkt dat je geen relatie of kinderen kan krijgen als je medicatie gebruikt. Vandaag ben ik met een vrouwelijke ervaringswerker bij een jonge vrouw geweest en hebben we haar geholpen negatieve toekomstperspectief te verbeteren. De ervaringswerker vertelde dat ze ondanks een diagnose gewoon kinderen had. Er kwam een glimlach op het gezicht van de jonge vrouw. Ze bespraken vrouwenzaken en de cliënte voelde zich gehoord.

    Het omgekeerde gebeurt mij ook weleens. Zo was ik uitgenodigd om voor een groep jonge hulpverleners te vertellen over mijn werk. Eerst had ik verteld over de bejegening naar cliënten toe. Later gaf ik de opdracht om in kleine groepjes te bespreken hoe je iemand op een goede manier kon ondersteunen in zijn medicatiegebruik. Ik vroeg aan de hulpverleners of ze zelf weleens medicatie gebruikten, maar niemand beaamde dit. Wel waren er opmerkingen dat medicatie te veel schadelijke effecten had en dat ze dit alleen zouden nemen in nood of crisissituatie.

    Mijn verbazing was compleet, want een bakker eet zijn brood en een kapper wordt ook weleens geknipt. Hoe moet een hulpverlener die geen ervaring heeft met of juist aversie heeft tegen medicatie een ander helpen bij zijn gedrag rondom medicatie? Een beetje ervaring hierin is toch wel het minste, zeker als je werkt met mensen die vaak verplicht zijn om medicatie te gebruiken vanwege een rechterlijke machtiging! Hoe kun je iemand iets verplichten wanneer je zelf van niets weet…

    Ik begreep het niet meer en ging twijfelen aan mijn eigen keuzes. Zo van: ben ik dan zo afwijkend dat ik medicatie gebruik en is dat wel okay? Later, na mijn nachtmedicatie, dacht ik: tjakkaa, doe er maar 20 jaar bij!

  • John Jongejan: Ik ben een patiënt

    Joyce Huls October 02, 2018 980 keer bekeken 0 comments

    In de winkelstraat kwam ik een oude bekende tegen die ik niet meer had gezien sinds mijn laatste psychose en opname. Hij vroeg hoe het met me ging en wat ik nu deed. Ik benoemde dat ik leerde en werkte in de GGZ. Hij keek me aan en zei dat hij blij was dat het goed met me ging. Ik durfde hier op straat niet verder op in te gaan, maar ik wilde eigenlijk zeggen dat er sinds die psychose sommige dingen beter gaan, maar ook dat ik nog veel pijn heb in mijn dagelijks leven. Ik liep verder ook al wou ik hem vertellen dat het ik het gevoel heb dat het met mij nooit meer echt goed komt, omdat ik nu eenmaal een aandoening heb.

    En dat laatste wil liever niemand horen. Want het moet allemaal mooier en beter in het leven, anders tel je niet (meer) mee. Zoals het me altijd verbaast dat mensen zeggen dat ze een burn-out hebben en hiervoor uitkomen terwijl later blijkt dat iemand psychotisch, angstig of depressief was. En ook dat kan iedereen overkomen. Maar burn-out klinkt beter en is legitiem omdat er zoveel aandacht voor is. Ook de benaming van de patiënt met een psychiatrische diagnose wordt zachter gemaakt door diegene  te benoemen als cliënt, deelnemer of burger. Dat vind ik ook vreemd. Bij het FACT team geef ik psycho-educatie over psychose en de mensen die meedoen zijn dan deelnemer. Deze vorm van kennisoverdracht, maar ook therapie of behandeling, klinkt minder zwaar nu de patiënten deelnemers of burgers heten. Zou iemand met een hernia of nierziekte ook deelnemer worden genoemd bij een behandeling of therapie?  

    Ook wordt je rond de oren geslagen met termen als herstel, empowerment, autonomie, eigen regie, enz. Het idee dat je het bij een psychiatrische aandoening zelf kunt doen, is soms kwalijk. Iemand heeft juist goede zorg nodig doordat men vastgelopen is in het leven. Men wil weer beter worden, net als vroeger, door goede steun en behandeling. Maar dat is volgens de zorgverzekeraar en de overheid te duur geworden. Die wil minder en goedkopere zorg voor de cliënt. Dus worden begrippen zoals eigen regie vertaald naar eigen verantwoordelijkheid, lange wachtlijsten en kortere behandelingen.  Zo moet je het maar zien te redden…

    Een goede vriend met een psychische kwetsbaarheid zegt dan ook altijd : ik kost de samenleving alleen maar geld, dus ik begrijp dat ze korten op mij, want wat kunnen ze nou aan mij nog verdienen? Ik vraag me dan af: is iemand die productief is meer waard dan een zieke patiënt? Dan sluiten we wel onze ogen, want we weten dat het iedereen kan het overkomen…

    Eigenlijk moeten iemand in de media zeggen (zoals  ik het nu doe):

    “Ik ben al jaren patiënt. Ik heb een schizo-affectieve stoornis. Soms heb ik behandeling nodig, zodat ik daarna andere mensen weer tot steun kan zijn!”

  • John Jongejan: Heb je even voor mij?

    ProfielfotoDorothé van Slooten August 14, 2018 598 keer bekeken 0 comments

    Tijd is iets waar tegenwoordig eigenlijk geen ruimte voor is. Alles moet met zo min mogelijk middelen en mankracht, en liefst in minder tijd. Dat merk ik als cliënt.

    De digitale agenda van een begeleider was gecrasht. Al zijn afspraken gedeletet! Hij merkte pas dat hij zijn afspraak met mij was vergeten, toen ik hem na weken een app stuurde om te vragen of hij nog kwam. Een andere begeleider die eerst de tijd nam om met mij te praten, ging steeds vaker eerder weg. Ik kwam er niet doorheen en kreeg geen kans meer om over mijn problemen te praten. Hij lachte alles weg. Ik heb ook meegemaakt dat er bij een team steeds zaken werden uitgesteld, omdat ze daar nu geen ruimte voor hadden vanwege een overvolle agenda. Ik stond dan na een half uur weer buiten. Hier baalde ik dan van.

    In mijn eigen werk is tijd ook belangrijk. Dat merkte ik pas geleden. Door een blessure kon ik niet fietsen en dus ging ik met de stadsbus langs mijn cliënten. Deze busreizen waren niet echt een succes, want ik moest dan soms nog best ver lopen en dan speelde mijn blessure juist weer op. Ook had ik het zo gepland dat ik een bepaalde tijd bij de cliënten kon zijn, om daarna op de tijd de bus terug te nemen naar het kantoor van ons team. Zo kon ik de dag afronden met rapporteren en registreren, e-mails checken en cliënten bellen.

    Eenmaal bij de eerste afspraak merkte de cliënt mijn tijdsdruk en hij zei: “Heb je nog even voor mij?” Ik bood een luisterend oor, maar keek ook af en toe naar de klok. Dat jaagde de cliënt en mij juist meer op en dat kwam het gesprek niet ten goede. Ook bij het volgende adres zei de cliënt: “Ik wil nog iets vertellen, kan dat even?” Terug op kantoor voelde ik achteraf me vervelend, want normaal schat ik samen met de cliënt in of er kan worden afgerond of dat de cliënt nog iets wil bespreken. Nu had ik er toch wel wat druk achter gezet vanwege de blessure en de reistijd.

    Tijd maken voor en ruimte bieden aan het verhaal van de cliënt is heel belangrijk, zeker wanneer iemand wat wil delen over zijn of haar psychisch lijden. Omdat ik aan beide kanten situaties heb meegemaakt waarin er geen tijd en ruimte was, zeg ik: Maak tijd en ruimte als iemand vraagt: “Heb je even tijd voor mij?”

Cookie settings