Verslag Invitational Conference - werkbijeenkomst netwerkpsychiatrie

Gerdie Kienhorst 03-04-2019 62 keer bekeken 0 reacties

Op 28 maart 2019 verzamelden zich in het oudste ggz-gebouw ter wereld (1442), het huidige hoofdgebouw van Reinier van Arkel in Den Bosch om van gedachten te wisselen over netwerkpsychiatrie en een conceptversie van een boek erover. Deelnemer Nico de Louw schreef een verslag.

Bijeenkomst Opbouw en ontwikkeling Netwerkpsychiatrie

In het oudste ggz-gebouw ter wereld (1442), het huidige hoofdgebouw van Reinier van Arkel in Den Bosch, verzamelen zich in de middag zo’n 90 belangstellenden uit het hele land (van Groningen tot Maastricht), van zeer diverse pluimage: wetenschappers, vertegenwoordigers van cliënten en naastenbelangenorganisaties, een vertegenwoordiger van gemeente Den Haag, bestuurders en professionals van ggz-instellingen. 

Tom van Mierlo, bestuurder/psychiater van Reinier van Arkel is dagvoorzitter en geeft een toelichting op de aanleiding voor deze bijeenkomst waarvan nog meerdere zullen volgen. Organisaties als FACT, ART, HIC, RACT, IHT staan voor methodieken die met elkaar ‘the big five’ vormen van recente succesvolle vernieuwingen binnen met name de ambulante ggz. De personen die nauw bij deze vernieuwingen zijn betrokken als initiatiefnemer en/of auteur van de bijbehorende handboeken, achtten het wenselijk om na te gaan of de bij deze methodieken gewonnen inzichten zodanig te vereenvoudigen zijn dat de verschillende benaderingen vanuit die onderscheiden methodieken in één nieuwe integrale benadering kunnen uitmonden. Daartoe zijn uit deze kring nu teksten bijeengebracht ten behoeve van een boek in wording met de bedoeling tot deze nieuwe geïntegreerde benadering te komen. Werktitel: Netwerkpsychiatrie. Het bijzondere van déze bijeenkomst is nu, dat de aanwezigen na eerst via een besloten site inzage te hebben gekregen in de conceptteksten, deze middag de gelegenheid krijgen om hun commentaar op de hen toebedeelde hoofdstukken, te leveren. Daaraan voorafgaand is het woord eerst aan twee inleiders.

Visie, missie en de leidende principes

Niels Mulder, psychiater Parnassiagroep en bijzonder hoogleraar openbare GGZ Erasmus MC, trapt af met de visie en missie van Netwerk Psychiatrie (NP).

“NP is een visie en werkwijze die behandeling en begeleiding voor mensen met (ernstige) psychische aandoeningen verbindt. Haar missie is om de kansen op herstel en gezondheid zo groot mogelijk te maken”.

Voorbeelden Parkinsonnet en Redesigning Psychiatry

Mulder benadrukt dat het denken in netwerken bepaald niet nieuw is en wijst op bijvoorbeeld Parkinsonnet dat al geruime tijd de cliënt centraal stelt en toegang bezorgt tot de nieuwste inzichten. Met betere resultaten en tegen lagere kosten dan voorheen. En zo zijn er meer op somatisch vlak. Hij staat ook even stil bij de netwerkvorming die ‘Redesigning Psychiatry’ (RP) onderneemt. In RP-verband zoeken ggz-professionals bewust de verbinding met andere disciplines zoals filosofen, ontwerpers, ervaringsdeskundigen en domeinexperts. Ze verwachten hierdoor nuttige inzichten te genereren over hoe RP de ontwikkelingspotentie van mensen in beeld kan krijgen en vervolgens helpen aanboren.

RP werkt met een gewenst toekomstbeeld waar de ggz zou moeten/kunnen zijn in 2030. Dat klinkt heel ver weg, maar om in 12 jaar een algemeen aanvaarde ‘herontworpen ggz’ en dus een fundamentele cultuuromslag voor elkaar te boksen is geen sinecure. Ook al wordt gesproken van psychiatrie, daarmee wordt toch wel de hele ggz bedoeld, maar dat ‘bekt’ minder. Anticiperen op een toekomst door het formuleren van een ‘stip aan de horizon‘ spreekt aan. De mens willen zien, begrijpen en ondersteunen in wisselwerking met zijn omgeving, ja graag!! De taal wordt bij RP net als bij netwerkpsychiatrie en passant ook vernieuwd. Bij RP spreekt men niet over stoornis maar men definieert de problemen als stagnatie, als Probleem In stand Houdend Interactie Patronen (PIHIP). Dit biedt aanknopingspunten voor interventies als het verlichten van prestatiedruk, bouwen aan een toekomstperspectief, ontwikkelen van levensvaardigheden, beschermen van privacy, helpen aan betekenisvolle rollen en bijdragen aan de samenleving. Dit draagt bij aan het doorbreken van stagnatie.

Rol van trauma

Veel mensen die als cliënt de ggz binnenkomen hebben een traumatische geschiedenis, die vaak met ontwrichtende gevolgen in de ouder-kindrelatie al zijn beslag kreeg met een hechtingsstoornis als gevolg. Dit kan voor mensen langdurig gevoelens van onveiligheid en problemen in het sociale verkeer opleveren, wat cliënten met zich meebrengen als zij hulp vragen in de ggz.

Vanuit de wens om een goed en effectief behandelklimaat te scheppen voor cliënten met een dergelijke voorgeschiedenis (met ernstige psychische aandoeningen) hebben een fiks aantal mensen uit de door Van Mierlo geschetste hoek de handen aan de ploeg geslagen. Op basis van visie en missie zijn de volgende leidende principes geformuleerd.

1.      Werken vanuit één visie op herstel en gezondheid door het netwerk;

2.      Regie bij de cliënt waar kan: “Niets over ons, zonder ons”;

3.      Langdurige en directe samenwerking met naasten;

4.      Rekening houdend met kwetsbaarheid en stimuleren van veerkracht cliënten en naasten;

5.      Sectoroverstijgende samenwerking tussen psychiatrisch/medisch en sociaal domein

-        Op het niveau van voorzieningen

-        Op het niveau van de cliënt

-        Bevorderen dialoog, ruimte voor perspectieven;

6.      Bieden van continuïteit van zorg

-        In een toegankelijk netwerk van formele voorzieningen

-        Door het organiseren van een stabiel (in)formeel netwerk om de cliënt heen.

Hierna gaat Mulder dieper in op het ontstaan en de gevolgen van traumatische ervaringen en hechtingsproblematiek. Goede zorg houdt er rekening mee en werkt aan het verbeteren van disfunctionele schema’s en verstoorde hechting door middel van een vorm van ‘ouderschap’ (limited reparenting) en goede netwerkzorg. Eendrachtige samenwerking van FACT met sociale domein, aangevuld met o.a. herstelacademies en de inzet van resourcegroepen vormen hiervoor een goede basis.

De naaste aan het woord

Dan krijgt Arie Kars van de Familieraad Parnassia regio Rijnmond het woord. En, zo kunnen de aanwezigen getuigen, hij neemt het woord ook. Aangrijpende casuïstiek uit zijn praktijk als familie-ervaringsdeskundige/- en coach combineert hij met een schets van de schrijnende problematiek van een eigen kind. Legt vervolgens op basis van zijn ervaringen en waarnemingen inzake de ggz de aanwezigen zijn gewonnen inzichten voor. Behalve het netwerk op micro- of gezinsniveau en het netwerk tussen instellingen en derden op macroniveau, ziet hij de instelling zelf als een derde netwerk wat hij als mesoniveau omschrijft. Op dit niveau is het ook nodig om elkaar beter te vinden en te benutten dan nu - zeker bij grote instellingen - het geval is. De grootte van een instelling lijkt soms een effectieve begeleiding in de weg te staan. Het komt veelal neer op improviseren waar het gaat om de juiste collegae te vinden, met negatieve gevolgen voor kwetsbare cliënten die effectieve begeleiding in die wildernis echt nodig hebben. De spreker vindt het wenselijk om een onafhankelijke casemanager aan te stellen, die bekostigd door de verzekeraar, niet behorend tot de ggz, doorzettingsmacht heeft om binnen en tussen de drie onderscheiden niveaus de cliënt als gids terzijde te staan om sluitende afspraken te maken inzake het inschakelen van de hulpverlening.

Voorts mist hij herstelacademies voor naasten en zou de instelling van (meer) familie-ervaringsdeskundigen zeker kunnen bijdragen aan herstel van familie en naasten en hun inbreng in resourcegroepen en Open Dialogue-sessies kunnen versterken.  

Kars vindt ook dat dat het thema zingeving veel meer betekenis zou moeten krijgen. Hij juicht de belofte voor een goede zorg toe die de besproken pijlers onder netwerkpsychiatrie in zich hebben, maar ziet die dan ook liefst zo snel mogelijk ingevoerd. Het gaat hem allemaal te langzaam.

Discussie

Dan neemt de zaal het woord. Met het oog op het samenwerken met andere professionals, wordt de benaming netwerkpsychiatrie niet gelukkig bevonden. Niet alleen omdat psychiatrie bij mensen een negatieve associatie kan oproepen, maar ook omdat het te veel een toe-eigening van de discipline psychiaters lijkt te suggereren, met uitsluiting van andere ggz-disciplines, terwijl zij juist erkenning verdienen. Ook ten opzichte van sociale wijkteams lijkt deze term niet uitnodigend als het doel is om een gezamenlijk netwerk te vormen. Een ander wijst erop dat ook voor ggz-cliënten allereerst de basisvoorwaarden als huisvesting en inkomen vervuld moeten worden. Het dwingend karakter van de DSM wordt gehekeld en wordt getypeerd als een machtsinstrument van de psychiatrie waar mensen vaak niet mee geholpen worden. Vervolgens gaan de aanwezigen in 4 werkgroepen uiteen om de verschillende concept-hoofdstukken te bespreken. Ten behoeve van de redactie werden deze afzonderlijk genotuleerd, waarna de groepen na een intensieve ronde het commentaar terugkoppelden in een afsluitende plenaire sessie.

Plenaire terugkoppeling uit werkgroepen

Uit de plenaire terugkoppeling vielen aangaande het gelezen materiaal, bedoeld voor het uiteindelijke boek onder meer de volgende opmerkingen te noteren: er is meer helderheid nodig rond doel en doelgroep. Een goede inleiding die het geheel aan elkaar verbindt, is broodnodig. Het document wordt ervaren als een verzameling, onderling niet geheel afgestemde en elkaar versterkende bijdragen, zonder een duidelijke richting. Er is opgemerkt dat de teksten sterk vanuit de ggz geformuleerd is, wat een gelijkwaardige opzet van de gewenste netwerken belemmert. Het is kennelijk de bedoeling de ‘big five’ aan elkaar te verbinden of meer te integreren en zo de schotten ertussen te verminderen, maar dat is nu nog niet meer dan een voornemen. Als je wilt samenwerken in een netwerk met bijvoorbeeld het sociale domein, denkt in termen van resourcegroepen, een triadische aanpak en het gezamenlijk weg vinden uit de – niet altijd even helder geschetste - dilemma’s, dan moet er toch ook in een gemeenschappelijke voor alle betrokkenen toegankelijke taal gesproken worden, was een door meerdere deelnemers verwoorde mening. In het besef dat dit niet makkelijk en wellicht zelfs onmogelijk is. Hoe dan ook: het boek zou moeten helpen dialogen aan te gaan. Binnen de breed op te vatten zorg- en welzijndisciplines maar ook met de woningbouw, politie, jobcoaches of UWV. Kortom, met allen die op micro-, meso- en macroniveau deel uitmaken dan wel zouden moeten uitmaken van diverse netwerken waarbij waar mogelijk en wenselijk digitale ondersteuning geboden wordt. Het boek richt zich vooral op het ‘wat‘ er moet gebeuren maar heel graag ook dan aangeven ‘hóe’ de implementatie zijn beslag zou kunnen krijgen. Steeds oog houden voor het lijden als het essentiële element waarop de gg zou moeten stoelen, komt als invalshoek niet duidelijk uit de verf.

Behalve het microsysteem en het macrosysteem zal het boek ook het mesosysteem (het niveau van de instelling) functioneel in zijn boodschap moeten betrekken. En juist op het regionale niveau bruikbaar moeten worden.

Wat betreft het uitgangspunt ‘Niets over ons, zonder ons’, stellen vertegenwoordigers van MIND dat ‘sociale inclusie en mensenrechten belangrijke richtinggevende uitgangspunten zijn’ en dat verkrijgt instemming. En een uitvoerende begeleider pleit ervoor om ‘de werkvloer erbij te betrekken als je voor de uitvoering van het boek draagvlak wil creëren”. Een terechte opmerking die het wenselijk maakt dat de werkvloer ook meer ruimte zou kunnen krijgen en/of nemen om daadwerkelijk deel te nemen aan symposia die de ‘state of the art ‘weerspiegelen dan wel proberen verder te brengen.

De grondhouding van de Peersupported Open Dialogue van het ‘niet weten‘, wordt ook bij netwerkpsychiatrie wenselijk geacht.

Discussie over de benaming steekt aan het einde van de middag weer de kop op. Je zou psychiatrie wel kunnen gebruiken, als men die term zoals vroeger algemeen gebruikelijk wil opvatten als synoniem voor de hele ggz. Meerdere aanwezigen zien psychiatrie als uitsluitend het domein van psychiaters en dan is de oppositie tegen de term netwerkpsychiatrie begrijpelijk.

De discussie zal worden voortgezet.  Want het boek is nu te typeren als een proces, ‘a work in progress’ waar we niet te lang aan moeten blijven sleutelen, viel uit het gedeelde gevoel van urgentie op te maken.

Tot slot

De deelnemers aan deze boeiende bijeenkomst, stellen feitelijk met elkaar: ‘Die ggz kan nog verbeterd worden’. Voelbaar is de passie om zich daarvoor in te zetten. De aanwezigen maar ook lezers worden uitgenodigd een inhoudelijke bijdrage te leveren. Dat weerspiegelt een klimaat waarin men openstaat voor discussie, met een kwetsbare opstelling en gericht op het verkrijgen van nieuwe inzichten en het uitwisselen van functioneel te benutten ervaringen. Met elkaar een grondhouding die de ggz verder zal brengen. Daarvan ben ik overtuigd.

Nico de Louw

0  reacties