Nico de Louw: Actieplatform Herstel voor Iedereen lekker bezig

November 14, 2019

Het Actieplatform Herstel voor Iedereen (HVI) is actief vanaf januari 2016 en staat op de drempel van zijn vierde jaar. Een èchte tussentijdse balans laat ik graag aan de ingewijden. Ik beperk mij tot de observaties  ‘so far‘ en vanuit enige afstand.

Het samenwerkingsverband is opgericht op initiatief van bestuurders van een handvol GGZ-instellingen en inmiddels uitgegroeid tot een club van 17 participanten. Bijzonder!

Ja! Ik ben HVI-fan en probeer hieronder duidelijk te maken waarom.

Was het niet zo dat het tot voor een jaar of 5 geleden gebruikelijk was dat instellingen elkaar eerder over en weer bejegenden met de implicatie ‘wij zijn beter dan ‘jullie’? Daarom is de stap naar het ontwikkelen van een samenwerkingsverband op zich al bijzonder. De tijd was er rijp voor en had rechtstreeks te maken met het uitkomen van het rapport ‘Over de Brug’ in 2014.

Van meet af aan verbonden de initiatiefnemers zich om gezamenlijk op te trekken in een cultuur van onderlinge openheid en gericht op uitwisseling en leren van elkaars ervaringen en gewonnen inzichten uit innovatieve praktijken. De hiervoor gekozen startformule was die van Actieplannen die van elke deelnemende instelling vroeg duidelijk te maken hoe men aan de missie van 1/3 meer herstel inhoud dacht te geven. Deze plannen werden door de eerste 3 jaar heen ter kennis en voor feedback voorgelegd aan de andere participanten. Je laat aldus in je keuken kijken, je stelt je open voor suggesties en kritische vragen of opmerkingen in de openbaarheid te midden der collegae. Vergt moed!

Alles richten de deelnemers doelbewust op het realiseren van 1/3 meer herstel voor al hun cliënten te beginnen met diegenen die tot de ernstige en daarom langdurige zorgvragers gerekend kunnen worden.

Echt een breuk met het verleden!! En een inspirerende breuk. Immers je verbindt jezelf als instelling aan collega’s, maakt je misschien enerzijds kwetsbaar maar óók juist weer sterker door het aangaan van die verbinding. Samen weet je meer, dus er viel voor iedereen heel wat op te steken in de afgelopen vier jaar.

Het laatste jaar is een duidelijke verschuiving waar te nemen van de fase van plan- en beleidsvorming naar thema’s uit de concrete praktijk die in het HVI domein zijn opgenomen. Daardoor schuiven per onderwerp ook nieuwe deelnemers aan en bekrachtigen aldus het platformidee. Te noemen onder veel anders:”Het lang niet onderkende aandeel in het beroep op de GGZ van mensen met een lichte verstandelijke beperking”. Niet onderkend dus ook geen op hen toegesneden aanbod. Het zelfde gold traumazorg bij mensen met psychoses eveneens langdurig niét ingezet, zoals het T-Tiponderzoek onweerlegbaar aantoonde. Wat in het HVI milieu leidde tot de conclusie dat het zaak is oude dossiers te herijken op dit onderwerp. Hoeveel is er gemist?

De aandacht voor somatiek en leefstijl kwam enige jaren vóór HVI onder de noemer van ‘Mind the Body’ als onderwerp op de GGZ- agenda. Dat er in HVI verband nu wordt gesproken van ‘Keep the Body in Mind ‘, is goed maar laat ook zien : er is op dit vlak nog steeds veel werk aan de winkel met als hoofdvraag: “Hoe gaan we dat in de praktijk vorm geven?”.

De hele toonzetting zal de lezer misschien brengen tot de verzuchting dat deze –niet meer zo jonge- gast  wel èrg in hogere sferen vertoeft met zijn enthousiasme. Daarom tot slot het bewijs dat ondergetekende nog steeds stevig met beide benen op de grond staat door de vinger te leggen op het alomvattende onderwerp van de implementatie van de gewenste vernieuwende maatregelen.

De kunst maar vooral de opgave voor àlle participanten is: ”Hoe kunnen wij het HVI gedachtegoed ingang laten vinden op de werkvloer“. Dit is een permanente opgave die naar mijn smaak nog meer aandacht verdient!. Het is goed dat het Actieplatform daarbij in zijn activiteiten en dus ook uitkomsten gevolgd wordt door een door Phrenos geleide ‘onderzoeksmachinerie’ gerecruteerd uit de rijen der deelnemende instellingen.

De uitkomsten moeten laten zien wat werkt en vooral wat het effect is voor de kwaliteit van leven van cliënten. Dat zou in elk geval een stevige aanleiding kunnen zijn als instelling de praktijk nog intensiever, want ‘evidence based’ onderbouwd, in te stellen op effectieve herstelmethoden.

Nico de Louw