Jeroen Kloet

  • Jeroen Kloet: Terugdringen van stigma begint bij jezelf!

    Silvia Benschop 16-08-2017 0 reacties

    Jeroen Kloet is werkzaam als psychiater binnen het Vroeg Interventie Psychose team Tilburg. Daarnaast is hij pionierend op het gebied van het inzetten van zijn eigen psychische kwetsbaarheid naar cliënten en hulpverleners toe.

    Vanuit eigen ervaring heb ik een aantal jaar geleden kennis gemaakt met het fenomeen zelfstigma. Het oordeel van de ander over mijn psychische kwetsbaarheid was altijd mijn grootste vrees, tenminste dat dacht ik. Totdat ik me tijdens een cursus Photovoice bewust werd van het feit dat dit weliswaar een rol speelde, maar dat zelfstigma een nog veel groter monster voor mij bleek te zijn.

    Photovoice is een concept waarbij deelnemers aan de hand van een zelfgemaakte foto en persoonlijk verhaal iets vertellen over hun herstelproces. Zelf had ik een foto gemaakt van achter het gordijn dat bij de entree hing van een bruin café. Het moment waarop ik een café binnen kwam was dikwijls het moment waarop ik meende te zien hoe anderen mogelijk over mijn kwetsbaarheid dachten. Alsof ze dwars door me heen konden kijken en aanschouwden hoe ik me werkelijk kon voelen achter het masker van alledag. Mooi staaltje projectie natuurlijk. Alsof de gemiddelde café bezoeker daar überhaupt interesse in heeft. Het ging natuurlijk allemaal over het oordeel dat ik over mezelf had. De (voor)oordelen die ik mezelf had aangeleerd over psychische kwetsbaarheid kwamen als een boemerang terug mijn kant op. Ik veroordeelde mezelf, enorm. Mijn kwetsbaarheid voor angst, somberheid en emotionele labiliteit vond ik een zwakte. Ik schaamde me ervoor. En bovenal voelde ik me falen in meerdere opzichten.

    Nu ik geleerd heb hier beter mee om te gaan kan ik wel zeggen dat ik meestal onbevangen een café binnen loop. Ik ben wie ik ben en in mijn eigen ogen is dat meestal goed genoeg nu. Wat een verademing met hoe dit eerst was.

    Maar binnen de doelgroep jongeren die ik onder behandeling krijg als psychiater in het Vroeg Interventie Psychose team durf ik wel te stellen dat zelfstigma een sluipschutter is, die hen nog dikwijls najaagt lang nadat de psychose vervlogen is. Pas na de psychose komt vaak het besef van wat hen overkomen is. Zelfstigma als het boze oog dat nog lang op je neerkijkt.  Het boze oog dat uiteindelijk natuurlijk gewoon van jezelf is. Bewustwording hiervan en mededogen leren krijgen voor je eigen kwetsbaarheid kan een enorme impuls geven binnen je herstelproces . Ik denk daarom dat we het hier niet vaak genoeg over kunnen hebben met onze patiënten. Terugdringen van stigma is van groot belang en krijgt terecht veel aandacht. Maar terugdringen van stigma begint bovenal bij jezelf.

    Lees ook het blog over compassie van Nienke Boonstra.

  • Jeroen Kloet: Een apart centrum voor jongeren: hoe mooi zou dat zijn?

    Laatst was ik wat aan het rondzoeken op het internet naar het begrip Headspace. Het zei me nog niet erg veel, toen ik de term via Jim van Os voor het eerst las op deze site.

    In de introductie van een artikel over Headspace las ik dat jongeren tussen 15 en 25 jaar dikwijls tussen wal en schip dreigen te belanden als zij de transitie  van jeugd-ggz naar die voor volwassenen doormaken en vervolgens massaal afhaken.  Onderzoek toont aan dat er voor jongeren een grote ‘delay’ is tussen het moment van klachten ervaren, hulp zoeken en hulp vinden. Daar kunnen vaak jaren overheen gaan.

    Ik heb zelf lang voor een adolescententeam gewerkt en gezien hoe kwetsbaar deze groep kan zijn voor veranderingen, maar ook voor de wijze waarop er met hen wordt omgegaan. En ook hoe herkenbaar dit ooit voor mijzelf was. Als puber al behoorlijk in de knel zittend met mezelf maar vast besloten om het zelf op te lossen, werd mijn eerste hulpkreet niet erg bemoedigend opgepakt door de huisarts. Hij leek destijds nog meer onder de indruk van mijn verhaal dan ikzelf en probeerde het tot rust te brengen met benzodiazepines. Behalve dat dit me alleen maar meer in mezelf deed keren, was het voor mij ook een boodschap dat er niet goed naar me geluisterd werd. Mijn toch al broze vertrouwen in anderen nam verder af en mijn zelfstigma verder toe. Nu terugkijkend begrijp ik dat hij simpelweg niet goed wist wat te doen en ook niet de tijd en ruimte had om er eens echt samen goed voor te gaan zitten. Rustig met me mee kijken wat er nu precies aan de hand was. Onderzoeken of er logica te ontdekken was in mijn persoonlijke ontwikkeling, hoe ik in elkaar steek als persoon en hoe ik omga met tegenslagen. Dat had me mogelijk heel veel gepieker en hopeloos geworstel met mezelf kunnen besparen. En bovenal mijn zichzelf versterkende cirkel van zelfstigma kunnen doorbreken. Maar ja, achteraf is het altijd makkelijk praten…

    Neemt niet weg dat een instelling waar jongeren laagdrempelig binnen kunnen wandelen om eens met een deskundige stil te staan bij wat er mogelijk met hen aan de hand is, lijkt mij persoonlijk een zegen. In de puberteit en adolescentie ben je nog zo flexibel, zo vormbaar, maar ook zo kwetsbaar. Eigenwijs, vechtend tegen zichzelf en de wereld om hen heen, is het dan ook een enorme uitdaging om hen te bereiken.

    Maar hoe mooi zou dat wel niet zijn? Een apart centrum om jongeren op te vangen, te begeleiden en eventueel verder te helpen op hun levenspad, waarbij kwetsbaarheid gewoon een onderdeel van het leven is…

  • Jeroen Kloet: De GGz gaat meer en meer op de quiz ‘Ik weet het beter’ lijken!

    Ik weet het beter was een Nederlandse televisiequiz van de Evangelische Omroep, gepresenteerd door Bert van Leeuwen. Het was de titel van de quiz die mij destijds tot een glimlach verleidde. De beste jongens en meisjes van de klas tegen elkaar. Wie gaat er met de hoofdprijs vandoor?

    Inmiddels is me het lachen binnen GGZ land wel vergaan, want soms heb ik tegenwoordig het idee in een dergelijke quiz beland te zijn. Iedereen valt over iedereen heen, als het op meningen over de GGZ aankomt. Neem nu de discussie over de ROM. Al maandenlang knalt de ene oneliner na de ander via LinkedIn m’n mobiele telefoon binnen. En meningen ventileren en uitdragen, je standpunt verdedigen, prima allemaal. Maar wat me iedere keer weer verbaast in deze discussies, is het totale gebrek aan nuance en bovenal verbinding. Nergens krijg ik het gevoel dat de auteurs op zoek zijn naar verbinding rondom materie waarover veel te zeggen valt. Het roept bij mij telkens weer het gevoel op alsof ik in een soort stammenstrijd terecht ben gekomen. Hetzelfde gevoel wat me regelmatig kon bekruipen tijdens mijn opleiding, als verschillende therapiestromingen elkaar weer eens op de korrel namen.

    Het maakt me boos. We drijven weg van elkaar. Is degene die het hardst roept, de meeste kennis heeft, binnen bepaalde kringen de meeste macht heeft, ook degene die het meeste recht van spreken heeft rondom wat goed is voor mensen die in psychische nood verkeren? Weten we überhaupt wel wat het beste is? Nee toch? Ik mis bescheidenheid binnen een wereld die als exacte wetenschap door het leven lijkt te gaan, maar dit bij lange na niet is. Wordt het niet eens tijd dat we elkaar proberen te vinden in onze gezamenlijke missie om mensen die in psychische nood verkeren verder te helpen? De weg van het hoofd (noem het kennis) is er één die veel te veel aanzien geniet en die ons steeds meer in narcistische conflicten doet belanden. We willen allemaal gehoord worden. Maar door onze manier van communiceren wordt het een kakafonie van geluid, waarvan buitenstaanders echt geen chocolade meer kunnen maken.

    Maar mogelijk ben ik gewoon hopeloos naïef en is mijn gedachte dat de weg van het hart ons verder zal brengen een enorme desillusie. Of is er inmiddels toch een serieuze stroming van het hart opgestaan die een ander geluid laat klinken? Een stroming waarbinnen écht oprecht luisteren naar elkaar weer mogelijk is en waar ruimte is voor verstilling? Verstilling van ons schreeuwende ego om erkenning. Zodat we echt weer bij onszelf naar binnen kunnen kijken en opnieuw kunnen voelen waar het werkelijk toe doet. Ik kijk er oprecht naar uit!

  • Jeroen Kloet: Door zelfonthulling een kans te geven, geef je de ander een kans!

    Terwijl ik me de afgelopen tijd aan het voorbereiden ben op mijn werkzaamheden als spreker, naast mijn psychiaterschap, word ik me steeds meer bewust van de rol van zelfonthulling binnen behandelgesprekken. En ook word ik me steeds bewuster van het feit dat redenen om het niet te doen, vooral verborgen lijken te liggen in mijn eigen angsten: de angst wat dit met het behandelcontact kan doen. De angst dat ik anderen mogelijk belast met mijn verhaal. De angst dat de zogenaamde professionele afstand, die ik liever als professionele nabijheid zou willen typeren, in het geding raakt.

    Inmiddels ben ik nu al 2 jaar naast mijn psychiaterschap ook mijn eigen ervaringsrol aan het introduceren in de gesprekken met cliënten en hun naasten. Ik ervaar duidelijk een leercurve hierin. En dan met name een leercurve in het feit dat ik me steeds bewuster word van het feit dat ik degene was, en ben, die de afstand in stand houdt door iedere keer weer zo te twijfelen aan het wel of niet introduceren van mijn dubbelrol. Telkens weer weten cliënten, en ook hun naasten, me er van te overtuigen dat ik het mis had of heb. Dit onderwerp blijkt namelijk prima bespreekbaar en tot mijn verwondering kunnen de meesten ook prima aangeven hoe ze dit binnen hun behandeling zien en wat het hen kan bieden.

    Ik had recent een zeer openhartig gesprek met een cliënt die ik nu al enkele jaren volg. De toegang tot zijn belevingswereld was tot op heden minimaal. Ik zat al lang vast in mijn doktersrol en hij was ook redelijk helder in hoe hij mij zag: als een noodzakelijk kwaad. Ik was immers degene die hem vertelde wat hij nodig had, ik was degene die de grenzen stelde aan wat nog wel acceptabel was en wat niet meer. Ik was degene die samen met hem en zijn ouders sprak over de mogelijk naderende machtiging als dit zo langer door ging.

    Totdat ik recent toch besloot om ook bij hem iets te vertellen over mijn eigen achtergrond, mijn persoonlijke ervaring met psychische kwetsbaarheid. En het gesprek veranderde volledig. Hij was nieuwsgierig naar hoe ik zaken destijds had ervaren en hoe ik ermee om was gegaan. Ik vertelde hem zo eerlijk mogelijk hoe ik dat destijds als student geneeskunde had ervaren - toen ik in dezelfde levensfase zat als waar hij nu in verkeert. En vervolgens kwam hij met zijn verhaal. Hoe het soms zo kan spoken in zijn hoofd, hoe hij niet begrijpt waarom dit zo kan gaan. Waarom het soms weer helder is en hij er zeker van is dat hij gewoon kan doen wat hij wil, maar ook dat dit zo weer om kan slaan in chaos. En de factoren die hem in zijn beleving hielpen om meer helderheid in zijn hoofd te krijgen, en welke juist niet. Het voelde als een ongelooflijk gelijkwaardig gesprek en de handdruk die ik hem gaf na afloop was van een totaal andere orde dan de handdruk die ik hem normaal gesproken gaf, na wéér een teleurstellend gesprek als dokter versus cliënt waarin we ons beiden niet begrepen voelden.

    Ik had dit nooit verwacht bij hem. En daar ligt dus ook precies de boodschap. Ik had dit niet verwacht. Het ging dus allemaal om mijn verwachtingspatroon, en niet om dat van hem. In mijn beleving is de realiteit dat we dikwijls gewoon niet weten hoe de ander ons zal ontvangen, als we een handreiking doen vanuit onszelf. Door het een kans te geven, geef je de ander een kans. Een kans op verbinding van waaruit mogelijk een nieuwe weg kan ontstaan naar een échte behandelrelatie.

  • Jeroen Kloet: Zelfonthulling als uitgestrekte hand

    “Welkom, gaat u zitten. In dit gesprek wil ik het komende uur als psychiater graag met u mee denken over de klachten die u hier hebben gebracht. Ik zal u aan het einde van het gesprek teruggeven wat mij daarin is opgevallen en kijken of u zich hierin kunt vinden. Daarnaast wil ik u ook nog iets anders voorleggen voordat we met het gesprek starten. Het is namelijk zo dat ik naast mijn functie als psychiater in mijn leven ook persoonlijk kennis heb gemaakt met psychische kwetsbaarheid. Angsten en depressies hebben mij meerdere malen behoorlijk uit evenwicht gebracht. U hoeft uiteraard niets met dit gegeven. Mogelijk helpt het u dat u weet dat ik in het bezit ben van ervaringskennis vanuit de stoel waarop u nu zit. Alleen als het u helpt binnen dit gesprek zal ik u hier iets meer over vertellen.”

    Voor me heeft zojuist een man van middelbare leeftijd plaats genomen, enigszins onwennig voor het psychiatrisch consult dat gepland staat. Hoe valt deze opening bij hem? Ik heb inmiddels al een paar jaar ervaring opgedaan om op deze wijze mijn gesprekken te openen, hoewel ik dit intuïtief niet bij iedereen direct doe. Op basis van zijn verhaal en hoe het eerste contact voelt kies ik er dit keer wel voor. Hij is bekend met terugkerende depressies die zijn leven bij tijden tot een hel maken, ook dit keer weer. Zijn blik verzacht en ik zie tranen opkomen. “Wat bijzonder dat u mij dit vertelt. U weet dus mogelijk echt wat ik doormaak op dit moment.” Ik voel opluchting. Wederom iemand waarbij ik merk dat het gesprek hiermee direct al verdieping krijgt. Iets dat ik al regelmatig heb mogen meemaken. De eerste keer stond het angstzweet me in de handen. De angst dat de ander ruimte ontnomen zou worden door mijn inbreng. De vrees voor het oordeel van mijn collega’s dat het onprofessioneel is wat ik doe.

    Wat betreft de cliënten zelf? Op een enkeling na geven ze me vrijwel allemaal terug wat een verademing het is dat ik me simpelweg ook even kwetsbaar op stel. Zelden volgen er vragen over mij persoonlijk. Het is slechts een opening voor hun persoonlijke verhaal, waartoe ze zich uitgenodigd voelen. En mijn collega’s? Wisselend. Ik voel oprechte interesse maar ook scepsis. En mijn zelfkritische kant begrijpt dat laatste maar al te goed. Maar het is telkens weer de cliënt zelf die me er van doet overtuigen dat dit kan werken. En dat wij behandelaren zelf misschien nog wel de grootste drempel creëren om deze stap naar verbinding binnen het behandelcontact aan te gaan. Want cliënten voelen dikwijls heel goed aan waar de grenzen liggen en betreden echt niet zomaar jouw persoonlijke domein. In plaats daarvan waarderen ze deze uitgestrekte hand om contact te maken met hun persoonlijke hel. Een hel waarin ze dikwijls, ver voordat ze plaats namen op de stoel voor jou, zijn geraakt.

  • Jeroen Kloet: Is verstand een wijze gids in barre tijden?

    Caroline Huisman 29-11-2016 0 reacties

    Ik ben het spoor bijster, echt waar. Inmiddels is declarabiliteit het hoogste goed geworden binnen de GGZ en lijken ingevoerde digitale systemen heilig verklaard te zijn.

    Mooie term: systeem. Werkt goed als het gaat om overzicht te krijgen op complexe en onoverzichtelijke materie. Net als ons verstand, dat in staat is op veel materie, zoals ingewikkelde gevoelens, vat te krijgen. De helikopterview die nodig is om niet de weg kwijt te raken in het ondoorgrondelijke woud van emotie en intuïtie.

    Het verstand, de heilige graal, als we academici mogen geloven. Niet verwonderlijk. Juist op dat vlak excelleren hoog opgeleiden. En juist dat wordt dan de norm. De norm waarmee met complexe materie, en dus ook met complexe gevoelens, wordt omgegaan. En met dat laatste zit de wereld van de psychiatrie vol.

    Verstand wordt hoog aangeschreven binnen onze cultuur. Maar wat als verstand zo overheersend wordt dat we nog nauwelijks in contact staan met ons eigen gevoel, laat staan met dat van de ander?

    Het maakt me steeds bozer. Goedbedoelende mensen met een hoop verstand hoor ik regelmatig betogen afsteken rondom nieuw in te voeren systemen. Hoor ik nog betere SMART geformuleerde doelen ten gehore brengen waar de zorgverzekeraars vast van zullen smullen.

    Het klinkt allemaal zo mooi. Waarom maakt het me dan zo boos? Ik kan het niet helpen. Mijn intuïtie zegt me : “Het is het zoveelste konijn uit de hoed van het verstand”. Verstand heeft ons veel gebracht over wat we kunnen doen voor de cliënt. Maar niet over hoé we het doen ! En juist daarin ligt de ruimte. Het wordt serieus tijd om het te gaan hebben over hoé we in contact komen met de reiziger in het woud. De reiziger wiens verstand juist ontnomen is door geestelijke rampspoed. De doler die er met zijn verstand niet bij kan wat hem of haar is overkomen. Hoe kunnen we nu ooit een uitgeputte, emotioneel verloren reiziger gaan bereiken vanuit de helikopter van het verstand?

    We moeten naar beneden, het woud in. Daar is het te doen. Daar vindt het leven plaats, niet hoog in de lucht. Hulpverleners zijn de pendelaars tussen verstand en gevoel en kunnen verloren reizigers helpen hun weg te vervolgen. Maar vanuit een helikopter zal geen reiziger je horen.

    Met verstand naar beneden komen dus. Het is echt nodig !

     

  • Jeroen Kloet: behandeling zou standaard moeten ingaan op het verbeteren van de gezondheid

    Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer het me bevreemdt. Sinds ik werkzaam ben binnen de psychiatrie heb ik het aantal verschillende behandelingen exponentieel zien toenemen. De specialistische termen vliegen je soms rond de oren: EMDR, CGT, MBT, DGT, IPT, kortdurende inzicht gevende psychodynamische psychotherapie en ga zo maar door. Naarmate de kennis toeneemt rondom allerlei psychologische behandelingen voor de psychiatrisch kwetsbare medemens, neemt het aanbod verder toe. Behandeling worden steeds specialistischer en verfijnder. Je zou het kunnen vergelijken met de vertakkingen van een boom.

    En als we dit behandelaanbod nu eens gemakshalve inderdaad vergelijken met de structuur van een boom. Wat hoort er dan eigenlijk in de stam thuis? Iedere boom vaart wel bij goed doorvoede aarde, voldoende water en het broodnodige zonlicht. Geldt dat voor de psychisch kwetsbare medemens niet net zo?

    Het is duidelijk dat evenwichtige voeding, beweging, een goede dagstructuur, voldoende blootstelling aan de zon en een goede slaaphygiëne een enorme bijdrage kunnen leveren aan herstel. Alles in de natuur draait om balans en juist deze kernzaken zijn dikwijls fors verstoord bij mensen die te kampen hebben met psychiatrische problemen.

    Nu zijn er eigenlijk wel voldoende programma’s die voorzien in het verbeteren van het voedingspatroon, het implementeren van voldoende beweging, het creëren van structuur en het bevorderen van het slaappatroon? Zou niet iedere behandeling dienen te bestaan uit deze stamelementen? Iedereen die uit balans is geraakt vaart wel bij zaken die het natuurlijk herstelproces ten goede komen. En in dit geheel zie ik ook een belangrijke rol weggelegd voor meditatie, of moderner: mindfulness. Een behandelvorm die wel geboden wordt binnen het GGZ behandelaanbod, maar zeker niet als basiselement.

    Dit schrijvende vraag ik mijzelf dan ook hardop af: waarom zijn deze stamelementen niet een vast onderdeel binnen iedere therapie die gegeven wordt? Ik houd dus een pleidooi voor terugkeer naar de basis, naar de stam. In het steeds complexere netwerk van takken ontstaat het risico dat we de stam wel eens uit het oog zouden kunnen gaan verliezen. Een verwaarloosde stam zal haar takken minder goed kunnen doen opbloeien. En dat kan toch nooit de bedoeling zijn?

  • Jeroen Kloet: Hulpverleners kiezen (on)bewust voor het afdekken van eigen kwetsbaarheid

    Ik las laatst een bijzonder interessant boek van Alice Miller met als titel Het drama van het begaafde kind. Miller schetst het drama van het emotioneel gevoelige, kwetsbare kind dat ten prooi valt aan de projectie van de ouders, die het kind onbewust hun eigen thematiek opdringen. Het boeide me enorm en zette me aan het denken.

    Binnen hulpverlenersland lopen zeer veel getalenteerde mensen rond. Hun talent strekt zich uit over meerdere vlakken, maar uit zich in het bijzonder in de kunst van het zich invoelen in de ander. Dit zal uiteraard niet voor een iedere hulpverlener opgaan, maar je hoopt als cliënt toch iemand tegenover je te treffen die op dit gebied wel over enig talent beschikt.

    Nu schetst Miller in haar boek hoe krachtig het kan doorwerken in het kwetsbare, gevoelige kind, als het via de ouders vooral leert zich aan te passen aan wat er van hem/haar verlangd wordt. Liefde komt je pas toe zodra je je aanpast aan hetgeen men van je vraagt. En juist dat kunnen emotioneel gevoelige kinderen als de beste. Ze zijn van jongs af aan getraind in het aanpassen, om te krijgen wat het begeert:  liefde. Dat daarmee ook het eigen ware ik  verloren dreigt te gaan, is een tragische bijkomstigheid die zich pas later in het leven echt zal openbaren. En juist deze eigenschappen lijken zich bovengemiddeld voor te doen onder hulpverleners, beschrijft Miller. De combinatie van het hebben van een fijnzinnige besnaardheid voor andermans gevoelens en de van nature sterke neiging zich daar naar te schikken, maakt hen een gevoelig instrument op dit vlak.

    Echter, in de rol van hulpverlener komt ook iets anders naar boven. Vanuit de door kennis en kunde opgedane ervaring kan de hulpverlener al snel in een rol terecht komen, waarin hij/zij vanuit een ‘toren van wijsheid’ de cliënt tracht te bedienen van de juiste tools om weer verder te komen in het leven. Hierin schuilt echter een enorm gevaar. Juist de begaafdheid om verbinding te maken met andermans gevoelens is van essentieel belang om werkelijk door te dringen. En daarvoor zal men met de betreffende cliënt in de modder moeten afdalen om werkelijk contact te krijgen. En dat betekent…uit de toren afdalen. En juist dat ‘wenst’ de hulpverlener lang niet altijd te doen. Zoals een collega van me dit laatst zo mooi verwoordde toen we hierover spraken : “Ik wil me helemaal niet kwetsbaar voelen in het contact met een cliënt!”

    Om het eigen talent optimaal te kunnen benutten is afdalen dikwijls noodzakelijk, zij het uiteraard met afgemeten nabijheid tot de cliënt. Vanuit de toren van opgedane wijsheid kan men trachten richting te geven aan de ander, maar is de kans gehoord te worden aanzienlijk kleiner. En toch meen ik regelmatig te zien dat men deze toren verkiest boven de modder.  Een vaak (on)bewuste keuze om de eigen kwetsbaarheid vakkundig af te dekken misschien?

  • Jeroen Kloet: Wat heeft die ander nodig om zich veilig te voelen?

    Terugkijkend begon het al vroeg. Dat gevoel van aan de rand van de groep te staan terwijl niemand het zag. Zo gevoelig en makkelijk uit het veld geslagen. Geen echte aansluiting voelen omdat de rest het anders leek te doen. Familie, vrienden, kennissen, klasgenoten: ze leken moeiteloos de cadans van het leven te volgen. En ik liep voor mijn gevoel dikwijls hopeloos uit de maat. Maar ja, hoe leg je dat nu uit aan mensen die dat zelf niet kennen? Aanpassen dan maar in de hoop dat het me ooit zou gaan lukken om te volgen.
    Terugkijkend heb ik het ritme nooit gevonden. Logisch ook, het was namelijk nooit mijn muziek. Inmiddels was de muur van zelfveroordeling zich al aardig aan het ontwikkelen. Gecreëerd door reacties van mensen naar andere groepsgenoten die aan de rand bivakkeerden. Mijn muur werd steeds dikker en hoger. Een muur die de niet begrijpende buitenwereld weg moest houden. Ik keerde naar binnen en besloot dat niemand dit mocht weten. Een masker van vriendelijkheid, aangepast reageren en vooral geen kwetsbaarheid laten zien, bedekte het geheel.
    Terugkijkend heet deze muur zelfstigma. En deze muur was in de loop der tijd zo geraffineerd en zorgvuldig opgebouwd, dat ik me niet eens realiseerde dat ik mezelf had opgesloten in mijn eigen gebouwde kerker. Niet vreemd dus dat ik me totaal afgesloten begon te voelen van alles en iedereen om me heen.
    Het heeft lang geduurd voordat ik een hulpverlener toe liet binnen deze kerker. Pas toen het écht veilig voelde en ik er van overtuigd was geraakt dat deze man mij niet zou afwijzen voor wie ik werkelijk ben, pas toen opende zich de deur. En daarna ging het stromen.
    Met deze ervaring is voor mij het besef pas nu goed doorgedrongen, hoe belangrijk het is dat de ander zich écht gehoord en gezien voelt. Terwijl ik op de hulpverlenersstoel plaats neem, probeer ik me voor te stellen wat de ander tegenover mij nodig heeft om zich veilig te voelen binnen ons contact. Een uitdaging, iedere keer weer.

     

  • Jeroen Kloet: Leren omgaan met een psychische kwetsbaarheid is een weg vol obstakels!

    Als psychiater heb ik dagelijks te maken met cliënten die kampen met een psychische kwetsbaarheid.

    Een kwetsbaarheid die zomaar ineens je leven binnen komt wandelen en je genadeloos een spiegel voorhoudt in je nog vaak jonge leven.  En als je dan uiteindelijk echt in die spiegel hebt durven kijken en je je realiseert dat je hulp nodig hebt, dan volgt dikwijls een ingewikkeld pad waarop je je begeeft, het pad richting de hulpverlening.  En dan komt de echte confrontatie met jezelf. Durf ik dat werkelijk aan te gaan ? Je hebt in je leven al zo veel gehoord over anderen die psychische klachten hebben. Je hebt gezien hoe daarover gesproken werd, hoe men daarop reageerde. En je voelde vaak aan dat velen hier liever niet hardop over spraken. Hoe velen daarover oordeelden en dikwijls ook veroordeelden. En nu sta je zelf voor de keuze: ga je hulp vragen bij iets wat mijn leven zo ontregelt, maar wat ook zo persoonlijk ingrijpt op mijn eigen zijn ? Je gedachten razen en je komt er niet uit. Je vecht, je voert een strijd met jezelf die je niet winnen kan, alleen. Je hebt hulp nodig om jezelf te kunnen redden en je besluit de stap te wagen. Met het lood in je schoenen kom je bij de huisarts en begint je verhaal…

    Dit relaas is geen fictie, het is namelijk mijn verhaal. Reeds sinds mijn adolescentie kamp ik zelf ook met een psychische kwetsbaarheid. Mijn leven veranderde drastisch en mijn eigen zoektocht naar hoe om te gaan met mijn kwetsbaarheid was begonnen.  Een weg vol met obstakels , twee in het bijzonder: stigma en zelfstigma. Waarover meer in mijn volgende blog…